SER Advies AOW: Mission Impossible

9 juli, 2010 in Columns-Artikelen door onze redactie

Bekijkt men de steeds verder oplaaiende discussie over de AOW vanuit een zekere afstand, dan is opvallend dat eigenlijk maar aan drie knoppen gedraaid wordt. De premie voor de burgers die nog niet AOW gerechtigd zijn, de uitkeringen voor de AOW gerechtigden en de leeftijd waarop het AOW recht ingaat. Wanneer men aspecten als de mogelijke verdere fiscalisering erbij betrekt lijkt het allemaal ingewikkelder, maar per saldo komt het er op neer dat een verdere fiscalisering tot een lager inkomen leidt voor veel AOW gerechtigden. Formeel kan men misschien nog wel zeggen dat door fiscalisering de AOW uitkeringen gered worden, maar in de portemonnee komt het per saldo toch neer op een verslechtering, hoe men het ook verkoopt in verkiezingsprogramma’s en andere beleidsstukken.

Het draaien aan de knoppen is overzichtelijk, en alles kan keurig doorgerekend worden, maar het valt te betwijfelen of het tot een resultaat kan leiden waar de samenleving voor een langere tijd mee verder kan gaan. De kern van het probleem zit namelijk niet in het vinden van een creatieve instelling van de knoppen, maar in het AOW systeem zelf. De essentie is een omslagstelsel waar de werkenden de uitkeringen voor de AOW gerechtigden opbrengen. De gedachte achter het systeem is zeker sympathiek en zolang de kosten in relatie met de beroepsbevolking beperkt zijn is het ook nog goed te realiseren. Het systeem gaat echter in de voegen kraken wanneer de verhouding tussen werkenden en gerechtigden aanzienlijk verandert en het ook nog eens om relatief hoge bedragen gaat. Wordt de beroepsbevolking te klein dan kunnen de uitkeringen eenvoudig niet meer worden opgebracht, ook al zal dat misschien de eerste jaren door allerlei ingrepen nog wat versluierd worden. Wanneer te lang gewacht wordt met het vinden van een echt goede oplossing zal de vraag of jongere generaties al dan niet bereid zijn tot een volledige solidariteit met de oudere generaties niet meer relevant zijn, want dan is het eenvoudigweg niet meer mogelijk. En wanneer de uitkeringen dan omlaag gaan zullen vele ouderen de nodige wrok gaan koesteren, daar zij toch het gevoel zullen hebben jaren lang premie te hebben betaald voor een zekerheid die hen uiteindelijk wordt ontnomen.

Veel van de problemen kunnen worden opgelost door het huidige stelsel geleidelijk te vervangen door een kapitaal stelsel waarbij uitkeringen betaald worden uit ingelegde premies vermeerderd met hun rendement. Premies en uitkeringen behoeven niet volledig geïndividualiseerd te worden. Beheer van premies en uitkeringen apart voor groepen geboren in hetzelfde jaar is mogelijk een praktisch alternatief. Wanneer goed opgezet en met een ruime overgangsperiode wordt het stelsel weer betaalbaar en acceptabel. Een dergelijke oplossingsrichting heeft veel extra voordelen.

Het is mogelijk om de solidariteit binnen een generatie te handhaven. De voor elke deelnemer gelijke inleg wordt dan bepaald door de totale opbrengst van de premies, waarbij de premies zelf gedifferentieerd kunnen worden. Regelingen om het aantal jaren betaalde premie te maximaliseren kunnen moeiteloos worden ingebracht, ook wanneer deze bij voorbeeld voor zware beroepen verschillen. Er is veel voor te zeggen de uitwerking volledig aan de politiek over te laten, maar voor de systematiek zou het niet uitmaken wanneer een deel van de invulling overgelaten zou worden aan het arbeidsvoorwaarden overleg tussen de sociale partners. Zijn de bedragen eenmaal ingelegd dan komen deze uit de sfeer van politiek en sociale partners en kan de zeggenschap daarover gemakkelijk gelegd worden bij de deelnemers zelf. Hiermee wordt tegelijkertijd haast automatisch het probleem van de ingangsdatum opgelost. Men kan immers in deze systematiek aan de deelnemers geheel zelf overlaten wanneer men de AOW wil laten ingaan, binnen een bandbreedte van bij voorbeeld 60 tot 70 jaar. Door de aard van het systeem heeft de keuze wel een consequentie. Hoe langer het uitstel hoe hoger de maandelijkse uitkering en omgekeerd. De keuze voor korter of langer werken komt wat dit betreft geheel bij de werknemer te liggen, waarbij langer werken wel een financieel voordeel oplevert. Wanneer men tegelijkertijd het arbeidsrechtelijk gemakkelijker maakt om na het 65 e jaar door te werken en in ieder geval CAO bepalingen die dat onmogelijk maken van rechtswege verbiedt, komt men vanzelf een stap verder naar een hogere arbeidsparticipatie van de ouderen.

Uiteraard zijn er veel haken en ogen aan een eventuele overstap naar een dergelijk stelsel. Aan de kennis kan het niet liggen. Al in 1995 toen de daadwerkelijke problemen nog moesten komen heeft Ewald Breunesse in zijn aan de VU verdedigde proefschrift getracht de discussie over een mogelijke stelsel wijziging aan te zwengelen. Intussen zijn de problemen acuut geworden en kunnen wij het ons niet meer permitteren de discussie uit de weg te gaan of naar de toekomst te verschuiven. Het lijkt er echter op dat thans alleen maar gesproken wordt over leeftijd grenzen en het betaalbaar maken van de AOW uitkeringen door elders gelden te generen, waarbij de ideeen variëren van het schrappen van de hypotheekaftrek tot het bezuinigen op straaljagers. Het lijkt wel of praten over het stelsel zelf min of meer taboe is verklaard.

Inmiddels is de SER druk bezig te kijken naar een alternatief voor een verhoging van de leeftijd van 65 tot 67 jaar. Het lijkt een mission impossible. De vraag dringt zich op of het niet verstandig is de SER meer tijd te geven en de adviesaanvraag te verbreden tot mogelijke veranderingen van het stelsel zelf. Dan zou gevraagd kunnen worden de verschillende mogelijkheden, inclusief de overgang tot een kapitaalstelsel, te analyseren. Per variant zouden dan de financiële en maatschappelijke aspecten in kaart gebracht moeten worden, evenals de voordelen, het standpunt van de sociale partners en het maatschappelijk draagvlak in zijn algemeenheid. De SER moet hier toe prima in staat zijn. Komt de SER zo als gebruikelijk ook nog eens tot een keuze voor een van de varianten dan is dat prima, maar wanneer het bij de gevraagde analyse blijft is dat zeker geen ramp. De problematiek is immers dermate belangrijk dat het primaat voor de uiteindelijke keuze toch echt bij de politiek moet liggen. Maar om uiteindelijk tot een goed resultaat te komen wordt is langzamerhand zoals dat in management termen heet wel enig out-of-the-box denken gewenst. Want als de discussie zich blijft beperken tot 65 of 67 jaar met alle ruis daar omheen, dan weten wij zeker dat wij er niet goed uitkomen.

Prof dr M. van der Nat

Theo van der Nat is directeur van RISKMATRIX BV te Driebergen. Hiernaast is hij hoogleraar aan het postgraduate program treasury management (RT) van de Vrije Universiteit te Amsterdam. In de perode 1999 – 2006 maakte hij als plaatsvervangen lid deel uit van de SER. Email: MvanderNat@riskmatrix.nl