Kredietverlening, modellen en bankiers examen

9 juli, 2010 in Columns-Artikelen door onze redactie

Kredietverlening is de kern van het bankwezen. Inschatting van de kredietrisico’s dient een topprioriteit van het bestuur en de Raad van Commissarissen (“RvC”) van elke bank te zijn. Geleidelijk zijn computer modellen een steeds belangrijker rol gaan vervullen bij de inschatting van deze risico’s. Oorspronkelijk ging het slechts om hulpmiddelen voor de accountmanager en kredietanalist die nog steeds tot een eigen oordeel moesten komen.

Inmiddels hebben de modellen in veel situaties het fiatterings en bewakingsproces voor een groot deel overgenomen en zijn de computer analyses leidend geworden. De kritiek op deze gang van zaken neemt toe. Modellen zouden onvoldoende rekening houden met bijzondere situaties van financiële markten en ondernemingen, waardoor risico’s niet of te laat goed worden ingeschat. Het omgekeerde is ook denkbaar. Een te stringent gebruik van  modellen kan een te grote terughoudendheid creëren bij de kredietverlening aan het midden en klein bedrijf.

Dit alles betekent zeker niet dat mathematische modellen in de ban gedaan moeten worden. Maar de top van de bank en de RvC zullen wel enig inzicht moeten hebben in de wijze waarop deze verantwoord gebruikt kunnen worden, de aannamen en de sterke en zwakke punten. Juist een RvC moet in staat geacht worden het nodige tegengas te geven wanneer modellen een te grote rol gaan spelen en er op toe te zien dat zij nimmer in de plaats komen van de normale kredietbeoordeling door experts met kennis en ervaring die weten wat er bij hun kredietrelaties daadwerkelijk omgaat.

Dit betekent dat bestuur en RvC daadwerkelijk zicht moeten hebben op de kredietrichtlijnen, de organisatie van de kredietverlening en de wijze waarop de kredieten getoetst en gemonitoord worden. Het is onontkoombaar dat ook de RvC enig idee heeft over de werking van bijzondere kredietvormen zoals verpakte hypotheken, credit default swaps en gewone rentederivaten. Ook hier kunnen kritische vragen vanuit de RvC al heel werkzaam zijn.

De RvC behoeft zeker niet in alle technische details te gaan, maar het is ook niet de bedoeling wanneer het enigszins igewikkeld wordt zich te verschuilen achter experts binnen de organisatie. Wanneer, om een voorbeeld te noemen, de interbancaire leningen markt instort door gebrek aan vertrouwen, zal de RvC direct moeten kunnen begrijpen, dat hierdoor ook het accepteren van letters of credits in gevaar kan komen wat voor het internationale handelsverkeer en de economie misschien nog wel erger is.

Om zicht te blijven houden op de kredietportefeuile zijn statistische analyses onvoldoende. Zowel het bestuur als de RvC zal enig idee moeten hebben van de daadwerkelijke kredietportefeuile. Kredieten die qua grootte of bijzondere vorm relatief zeer grote risico’s voor de bank met zich meebrengen moeten zeker besproken moeten. Maar dat is niet voldoende. Om de risico’s echt goed te doorgronden zal de RvC inzicht moeten hebben in de totale portefeuille. Het meest eenvoudig is het om dit te realiseren door regelmatig een aantal aselect gekozen kredieten door te spreken die een dwarsprofiel van de gehele portefeuille geven.

Samenvattend zullen bestuur en RvC beide zich intensief moeten bemoeien met het kredietbeleid. Daadwerkelijke kennis, expertise en vooral een critische houding zijn hierbij absoluut noodzakelijk. De wel eens geuite gedachte dat kredietverlening te weinig strategisch voor de top zou zijn moet zo snel mogelijk vergeten worden. En de gedachte dat een bankiersexamen voor bestuur of RVC de oplossing van alles is, is toch we enigszins naïef.

Prof dr M. van der Nat
Theo van der Nat is directeur van trainingsinstituut RISKMATRIX BV te Driebergen. Hiernaast is hij hoogleraar aan het parttime postgraduate program treasury management  (Register Treasurer) van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Email:  MvanderNat@riskmatrix.nl